Leermogelijkheden in jobs nemen toe

    In 2016 heeft meer dan acht op tien werknemers (82,5%) voldoende leermogelijkheden in het werk. 17,5% heeft onvoldoende leermogelijkheden en bij 6,1% is sprake van een ernstig leerdeficit. Dit is significant beter dan in 2004. Het aandeel met voldoende leermogelijkheden nam tussen 2004 en 2016 toe met 5,1 procentpunt. De vooruitgang werd hoofdzakelijk geboekt in de periode 2004-2007. Toen groeide het aandeel met voldoende leermogelijkheden van 77,4% naar 80,1%. Het aandeel met een ernstig leerdeficit daalde van 8,4% naar 7,3%.

    Figuur 1: Evolutie van de leermogelijkheden 2004 - 2016 op de Vlaamse arbeidsmarkt

    Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Werknemers 2004 - 2016

    De positieve evolutie zien we zowel bij mannen als bij vrouwen en bij alle leeftijdsgroepen, met uitzondering van de 55-plussers.  In die leeftijdsgroep is het aandeel met (on)voldoende leermogelijkheden niet significant gewijzigd tussen 2004 en 2016.

    Over de hele periode 2004-2016 zien we dat veel meer kortgeschoolden dan midden- of hooggeschoolden onvoldoende leermogelijkheden in het werk hebben. In 2016 heeft 34,7% van de laaggeschoolden onvoldoende leermogelijkheden terwijl dat bij middengeschoolden 22,8% is en bij hooggeschoolden 8,6%.

    Bijna de helft van de kortgeschoolde arbeiders heeft onvoldoende leermogelijkheden

    Het percentage met voldoende leermogelijkheden steeg bij de kortgeschoolde arbeiders van 47,7% tot 54,7% en bij de uitvoerend bedienden van 76% tot 80,7%. Voor de andere beroepsgroepen zijn de verschillen tussen 2004 en 2016 statistisch niet significant. Het opvallendste gegeven is de omvangrijke groep kortgeschoolde arbeiders met onvoldoende leermogelijkheden. Hoewel hun situatie verbeterde over de jaren heen, heeft in 2016 nog steeds bijna de helft (45,3%) een job die onvoldoende leermogelijkheden biedt.

    Een significante verbetering van de leerkansen tussen 2004 en 2016 registreren we in volgende sectoren: de metaalsector, de groot- en kleinhandel, de zakelijke dienstverlening, het openbaar bestuur, de gezondheids- en welzijnszorg, de financiële sector en het onderwijs. Deze laatste twee sectoren hebben over de volledige periode het hoogste aandeel jobs (ongeveer negen op de tien) met voldoende leermogelijkheden.

    Bijscholingsinspanningen met bijna een kwart toegenomen

    Tussen 2004 en 2016 nam het aandeel van de werknemers dat zich bijschoolt of een bedrijfstraining volgt, met bijna een kwart toe: van 46,1% tot 57,8%. Zowel bij mannen als vrouwen, jongeren als ouderen, korter- als hogergeschoolden zien we een toename van het aandeel dat een bijscholing of bedrijfstraining volgt. Veel meer hoog- dan kortgeschoolden kunnen zich bijscholen of bedrijfstrainingen volgen.  Terwijl in 2016 bijna 70 procent van de hooggeschoolden een bijscholing of training volgde, was dat bij de kortgeschoolden slechts 36,4%. In 2004 was de kloof nog groter. Toen had 62,2% van de hooggeschoolden een bijscholing of training gevolgd tegenover slechts 26,5% van de kortgeschoolden.

    Figuur 2: percentage werknemers dat in het afgelopen jaar een bijscholing of bedrijfstraining volgde, naar scholingsgraad

    Bij alle beroepsgroepen, met uitzondering van kader- en directieleden, neemt het aandeel dat bijscholing of bedrijfstraining volgt significant toe tussen 2004 en 2016. De toename is het sterkst bij de kortgeschoolde arbeiders (van 16,9% tot 29%) maar het aandeel dat bijscholing of training kan volgen blijft bij deze werknemers nog steeds veel lager dan bij de andere beroepsgroepen (29% tegenover gemiddeld 57,8%).

    In negen van de veertien sectoren noteren we een significante toename van de bijscholingsinspanningen. De sterkste toename zien we in de transportsector en de bouwsector. Het aandeel dat een bijscholing of training volgt stijgt er respectievelijk van 26,8% tot 55,3% (meer dan een verdubbeling) en van 22,2% tot 39,8%. De sectoren die in 2016 het hoogste aandeel werknemers tellen die een bijscholing of training volgden, zijn de gezondheids- en welzijnszorg (73,7%) en de onderwijssector (78,6%). De laagste percentages worden opgetekend in de textiel- en confectiesector (28,9%) en de horeca (28,6%).