Je bent hier

Advies Lerenden en de Organisatie in het Onderwijs

De Vlaamse sociale partners, vertegenwoordigd in de SERV, merken op dat de Memorie van Toelichting soms onvoldoende verduidelijkt wat de beweegredenen zijn voor bepaalde beslissingen. In dit advies gaat de SERV in op de bepalingen m.b.t. het Nederlands en de flexibiliteit in leerwegen, het lesaanbod in de eerste graad alsook op het inschrijvingsbeleid van scholen.

De aandachtspunten die hieronder worden meegegeven, hebben als sociaaleconomische insteek het garanderen van succesvolle school- en leerloopbanen voor leerlingen en cursisten.

Inzet op Nederlands

Het ontwerpdecreet voorziet dat de KOALA taalscreening in het kleuteronderwijs wordt uitgebreid naar het buitengewoon kleuteronderwijs (art.3) en dat leerlingen kunnen verplicht worden door de klassenraad van de lagere school om drie uur extra lessen Nederlands te volgen in de 1ste graad, bovenop de lessentabel (art. 10). Ook in het secundair onderwijs kan deze verplichting worden opgelegd (art. 28).

De SERV juicht de goede opvolging van de kennis van het Nederlands bij kinderen en jongeren toe. Als wordt vastgesteld dat de kennis van het Nederlands nog niet voldoende is voor een vlotte verderzetting van de schoolloopbaan is extra aandacht voor taal nodig. Dat brengt met zich mee dat alle nodige capaciteit en ondersteuning voor de scholen aanwezig is om dat extra aanbod te voorzien en de deelname aan de extra uren te maximaliseren. Voor de betrokken kinderen moet dit laagdrempelig ingericht worden t.t.z. de bereikbaarheid van de lesplaats is een aandachtspunt wanneer leerlingen van verschillende scholen worden samengebracht.

Flexibele leerwegen

Het ontwerpdecreet voorziet dat het volwassenenonderwijs ook deelkwalificaties zal kunnen uitreiken. Een CVO kan ook een cursist die vijf jaar geleden een deelcertificaat van de deelkwalificatie heeft behaald, een bewijs van deelkwalificatie uitreiken (art. 15). De examencommissie zal een bewijs van algemene vorming kunnen afleveren, net zoals het een bewijs van beroepskwalificatie kan uitreiken. Dit zal ook kunnen in het voltijds gewoon secundair onderwijs (art.16 en 41 en 42).

De SERV is pleitbezorger van meer flexibele leerwegen in het secundair onderwijs en van de erkenning van eerder verworven competenties in het volwassenenonderwijs, o.a. via de uitreiking van deelkwalificaties die zijn afgeleid van beroepskwalificaties (BK). Voor de SERV moet dit actief gekoppeld worden aan toeleiding naar kwalificerende trajecten, richting BK of onderwijskwalificatie.

Een aandachtspunt is hoe de jongeren met een bewijs van algemene vorming die zich niet inschrijven in een verdere kwalificerende leerweg het zullen doen op vlak van inschakeling op de arbeidsmarkt. Schoolverlaters uit het ASO, die niet doorstromen naar het hoger onderwijs, doen het al minder goed blijkt uit het Schoolverlatersrapport van de VDAB. Wat de uitreiking van competentiebewijzen betreft, gaat de SERV er vanuit dat het niveau van het bewijs gegarandeerd is. De SERV kreeg graag zicht op wat de verwachtingen zijn omtrent het aantal dergelijke bewijzen dat er zullen uitgereikt worden.

Inzet differentiatie-uren

Het ontwerpdecreet wijzigt de invulling van de lesuren differentiatie van ‘verdieping of remediëring van onderdelen van de basisvorming of een verdieping in klassieke talen’ naar een ‘remediëring van de basisvorming en een verdieping in alle vakken die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd’. Deze aanpassing moet leiden tot een optimalisering van de differentiatie-uren en moet er toe bijdragen dat scholen vanaf het 1ste leerjaar maximaal kunnen inspelen op de capaciteiten en interesses van leerlingen en op het aso, tso-, kso- of bso-aanbod in de volgende jaren (art. 30 en pag. 6 van de nota VR).

Eén van de krachtlijnen van de modernisering van het so is de oriënterende functie van de eerste graad. Er is ruimte voorzien voor differentiatie, nl. voor verdieping voor leerlingen die meer uitdaging nodig hebben en voor remediering voor leerlingen als ze de doelen van de basisvorming niet bereiken. Voor de Vlaamse sociale partners mag de oriënterende functie van de 1ste graad niet onder druk komen te staan. Ook remediëring moet gegarandeerd blijven. Bij de start in het eerste leerjaar moeten de capaciteiten en interesses van leerlingen immers nog verder verkend worden – de vakken en domeinen uit de basisvorming laten daar vandaag al veel ruimte toe. Volgens de geest van de modernisering wordt er in de 1ste graad nog niet gesproken over een bso, tso, kso of aso-aanbod. De nood aan deze optimalisering wordt weinig gemotiveerd in de voorliggende stukken.

Inschrijvingsbeleid

Het voorontwerp van decreet voorziet in een extra facultatieve overcapaciteitsgroep voor leerlingen uit de buurt in het gewoon voltijds secundair onderwijs. Het aantal leerlingen kan max. 5% bedragen. Een school is niet verplicht om leerlingen uit deze groep in te schrijven (art. 36 e.v.).

Inschrijving in een bereikbare school naar keuze is een recht voor leerlingen en ouders. Het is voor de SERV onvoldoende verduidelijkt in de voorliggende stukken hoe deze aanpassing van de regelgeving dit recht verder garandeert en hoe het zich verhoudt tot de andere overcapaciteitsgroepen die zijn voorzien in de regelgeving. Het inschrijvingsbeleid van scholen dient transparant te zijn.

7de jaren

Het voorontwerp van decreet vervangt de naam ‘7de leerjaar van het technisch of kunst-secundair onderwijs’ naar ‘7de leerjaren gericht op instroom arbeidsmarkt’ (art 27).

Voor de SERV zorgt de eerder gefragmenteerde aanpak van de aanpassing van de regelgeving rond de 7de jaren voor verwarring, bovenop de bestaande ongerustheid zowel bij scholen als bij sectoren m.b.t. de toekomst van de 7de jaren. Volgens de matrix secundair onderwijs zijn er nog steeds 7de jaren na een opleiding in de dubbele finaliteit. Leerlingen die een 7de leerjaar volgen na OK4 kunnen nog steeds een opleiding volgen in het hoger onderwijs en dus niet direct doorstromen naar de arbeidsmarkt.

  • Zuhal Demir - Vlaams minister van Onderwijs Justitie en Werk