Jobs mogen voor mij verdwijnen

    In 2050 staat VDAB voor Vereniging voor Data en Algoritmen voor Beroepsbeheer. De achterkleinzoon van Fons Leroy gaat tijdens zijn verplichte gap year naar het buitenland en doet ook stage in vijf totaal verschillende functies. Leroys kinderen en kleinkinderen werken 24 uur per week. En het bedrijf van zijn schoonkleinzoon investeert volop in opleidingen filosofie voor al zijn werknemers. Welkom in de wereld van de homo cobotiens.

    Fons Leroy
    Fons Leroy
    foto: Debby Termonia

    Fons Leroy, afgevaardigd bestuurder van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) gaat op 1 juli met pensioen. Maar eerst beschreef hij in zijn nieuwe boek ‘No Jobs’ nog een toekomstbeeld over de arbeidsmarkt in 2050. “Ik ben erg optimistisch over de impact van robotisering en digitalisering op de arbeidsmarkt”, zegt Fons Leroy. “Te optimistisch zelfs, volgens sommigen. Maar ik kies voor de maakbaarheid van de maatschappij. We moeten met digitalisering de pijnpunten op de arbeidsmarkt remediëren.”

    Want mensen werken niet alleen om een loon te krijgen, vindt Leroy: “Arbeid is een verbindende schakel in de maatschappij. Werken en zingeving zijn sterk met elkaar verbonden. Dat mag je niet uitschakelen en vervangen door robots. Nieuwe technologie moet je gebruiken om wat de mens niet gelukkig maakt te vervangen: repetitieve of geestdodende arbeid, en fysiek zware of gevaarlijke jobs.” Zo ziet Leroy in zijn boek de wereld van de homo cobotiens ontstaan: “waarbij we de lusten voor ons zelf behouden en de lasten aan de machines laten”.

    En wordt dat een arbeidsmarkt zonder jobs, zoals de titel suggereert? “De laatste jaren hoor je alleen maar de negatieve bijklank van dat woord: mini-jobs, hamburgerjobs, enz. Daarom mogen ‘jobs’ voor mij verdwijnen en vervangen worden door werk dat je zelf kunt invullen. Dat gaat dan over een terugkeer naar meesterschap, vakmanschap, creativiteit, ambacht. Zo creëert digitalisering geen drama, maar maak je werken net waardevoller en zinvoller. Laat technologie beperkingen opheffen.”

    Nieuwe grondrechten

    Vaak wordt gevreesd dat vooral kortgeschoolden uit de boot zullen vallen door de digitalisering. “Maar er is geen een-op-eenrelatie”, meent Leroy, “niet alle laaggeschoolden zijn digitaal onvaardig. Bovendien doen laaggeschoolden vaak erg zinvolle arbeid, die niet overgenomen kan worden. Maar ook daar gebruiken we dan pejoratieve woorden voor, zoals ‘kleine jobs’.”

    De acceptatie van digitalisering en robotisering vraagt een mentale shift. En dat is een taak van de overheid en van de sociale partners. “We mogen verandering niet als een bedreiging zien. En we moeten uitzoeken welke skills we nodig hebben om met verandering om te gaan.” Denk aan levenslang leren: “Zeggen dat je daar geen tijd voor hebt, is jezelf opsluiten in het systeem. Wie niet investeert in skills en competenties zet zichzelf buitenspel. Kijk maar wat bij Proximus gebeurde.”

    Er is geen een-op-eenrelatie: niet alle laaggeschoolden zijn digitaal onvaardig.

    Voor die mentale shift zijn nieuwe grondrechten nodig, denkt Fons Leroy. “De huidige stammen nog uit de vorige eeuw. Vandaag moet het ook gaan over het recht op levenslang leren, het recht op loopbaanbegeleiding…, We moeten ons sociaal systeem aanpassen aan de wereld in verandering. Natuurlijk is dat niet eenvoudig, maar de huidige sociale zekerheid was ook niet van de eerste dag perfect. Je start ermee en je bouwt dat op. De loopbaanrekening is een uitstekend en eenvoudig idee: werknemer, werkgever en overheid sparen samen tijd en geld, en de werknemer kan zijn eigen loopbaan in handen nemen. Maar we zijn nu vijf jaar verder en we staan nog altijd nergens.”

    Sociale partners zijn bezig met Interprofessionele Akkoorden voor twee jaar, terwijl het over de komende twintig jaar moet gaan. Ze moeten de moed hebben om te werken aan een kader op de lange termijn

    Want de sociale dialoog gaat nog altijd te vaak over de klassieke loon- en arbeidsvoorwaarden. Dat moet verbreed worde naar zaken zoals het recht op levenslang leren. “Sociale partners zijn bezig met Interprofessionele Akkoorden voor twee jaar, terwijl het over de komende twintig jaar moet gaan. Ze moeten de moed hebben om te werken aan een kader op de lange termijn”, vindt Leroy. “De maatregelen zijn er en alle vragen zijn oplosbaar. Maar de politieke moed om de maatschappij aan te passen ontbreekt. We hoeven ook niet te vertrekken van het witte blad. Je behoudt de sterktes van het systeem, maar legt daar de nieuwe breuklijnen bovenop. Het verschil tussen hoog- en laaggeschoold is bijvoorbeeld niet meer relevant. De nieuwe breuklijnen draaien rond de 21ste-eeuwse vaardigheden. En dat negeren we nu.”

    De waarde van een diploma

    In zijn boek komt de VDAB-topman scherp uit de hoek voor het onderwijs: “Kleuters mogen nog zelf een activiteit in een hoek kiezen en lagereschoolkinderen worden nog uitgenodigd om na te denken over een oplossing voor een probleem. Maar vanaf de middelbare school draait alles rond kennisoverdracht en kennisreproductie.” Terwijl het onderwijstraject van de 21ste eeuw moet gaan over wendbaar en weerbaar zijn, vindt Leroy.

    Een diploma heeft maar een tijdelijke waarde. En die periode wordt korter en korter.”

    “Een diploma is een uitdrukking van competenties. Maar een diploma heeft maar een tijdelijke waarde. En die periode wordt korter en korter. Daarom wordt de nood aan de voortdurende ontwikkeling van competenties groter. Het gaat niet over wat je op een bepaald moment weet, maar of je in staat bent om een evolutie door te maken. Dat is een eeuwigheidswaarde. Dan krijg je mensen die niet stil staan als ze uit school komen.” Het leren stopt hier dus niet. “De eindtermen zijn voor mij dan ook ‘begintermen’. Want eindtermen suggereren dat je klaar bent voor een professionele loopbaan. Terwijl het eigenlijk moet zijn: je hebt een rugzak om ergens te starten.”

    Vandaag gaat de onderwijsdiscussie te veel over structuren, vindt Leroy. “Terwijl het moet gaan over de 21ste-eeuwse competenties en hoe we die inbouwen in de pedagogiek. Want je ‘leert’ dat niet op de klassieke manier. Het belang van autonomie, creativiteit en sociaal kapitaal moet je studenten zelf laten ervaren. Je laat het hen zelf doen, zodat ze die soft skills kunnen ontwikkelen.” Fons Leroy onderstreept ook het belang van meer kleur in witte scholen. “Met heterogene groepsvorming in scholen ontwikkel je meer sociaal en cultureel kapitaal. En dat heb je nodig op de gekleurde arbeidsmarkt en maatschappij.”

    Onderwijs en maatschappij zijn met elkaar vervlochten. Dus is duaal leren een evolutie die Fons Leroy aanmoedigt. Maar het moet dan wel meer zijn dan ‘een uitstapje naar Bobbejaanland’, zoals de contacten tussen leerlingen en werkvloer nu wel eens aanvoelen. “Duaal leren gaat nu nog vooral over leerlingen technisch beter scholen. Maar het moet hen ook doen voelen dat op tijd komen belangrijk is, net zoals in team werken, of blijven leren. En dat voelen jongeren sneller op de werkvloer dan in het voltijds onderwijs. Het gaat over voelen en niet teachen.”

    “Duaal leren moet ook kunnen in het volwassenonderwijs en het hoger onderwijs”, vindt Leroy. “Zo wordt duaal leren driedimensioneel: op school, op de werkvloer, en daarna verbonden: waarbij de school de ervaring op de werkvloer uitdiept en het bedrijfsleven de leerkrachten meeneemt in de vorming.”

    Iedereen werkzoekend

    In 2050 wordt zelfsturing, of je loopbaan zelf in handen nemen, cruciaal. Maar is dat voor iedereen weggelegd, ook voor langdurig werkzoekenden? “Ja. Begin met één kader voor iedereen die potentieel actief is op de arbeidsmarkt. Nu hebben een werkzoekende en een werknemer ieder eigen maatregelen. Vandaag moet je eerst werkzoekend zijn voor je een bepaalde heroriëntering mag volgen. Terwijl iederéén eigenlijk potentieel werkzoekend is en dus nood heeft aan en recht zou moeten hebben op opleidingen.”

    Nu hebben een werkzoekende en een werknemer ieder eigen maatregelen. Vandaag moet je eerst werkzoekend zijn voor je een bepaalde heroriëntering mag volgen. Terwijl iederéén potentieel werkzoekend is.

    VDAB maakte onder Leroy de switch van een multikanaalaanpak naar digital first. “Digitale contacten zijn directer, proactiever en goedkoper. Maar het is niet digital only, benadrukt Leroy. “Face to facebegeleiding blijft bestaan. En wie niet digitaal vaardig is, brengen we digitale skills bij. Dat is onze taak. Je wilt mensen ook niet afhankelijk maken van face-to-facebegeleiding. Want de maatschappij en het bedrijfsleven zijn vandaag nu eenmaal gedigitaliseerd.”

    Daarbij heeft VDAB partners bij nodig. “We praten bijvoorbeeld met de vakbonden voor het verbeteren van onze dienstverlening. De vakbonden hebben als eerste contact met werkzoekenden, nl. bij het samenstellen van het dossier voor de RVA. De vakbonden merken meteen wie een digitale opleiding bij VDAB nodig heeft. Zo kun je sneller opsporen wie digitaal vaardig is en wie niet.”

    Data voor verfijnde dienstverlening

    De nieuwe contactstrategie startte in de zomer van 2018. “Het is nog te vroeg voor conclusies. We kunnen nog niet bewijzen dat werkzoekenden dankzij onze digitale aanpak sneller aan het werk zijn. Maar de tevredenheid bij hen lijkt groot.”

    “Als VDAB kijken we alleen naar wie werkzoekend is en niet naar werkenden. En dat is fout. Wie actief is op de arbeidsmarkt, is een potentiële klant. Maar we kunnen niet iedereen face to face bedienen. Bovendien zoeken werkenden ons op buiten kantooruren. Een sterke webaanwezigheid is dus nodig als je loopbaankeuzes wil ondersteunen.”

    “We willen onze dienstverlening verfijnen”, gaat Leroy voort. “Maar daar heb je data voor nodig. En dus ook een digitale strategie. Dankzij artificiële intelligentie kan je meer dan alleen aan rulebased matching doen: van have to verschuif je naar want to. Je toont niet alleen maar de vacatures die werkzoekenden wettelijk moeten aanvaarden. Je kunt vacatures verrijken met afstand werk-thuis, maar ook met passies, waarden, het maatschappelijk karakter van een bedrijf. Je verfijnt de tools, zodat werkgever en werknemer elkaar sneller vinden. Het selectieproces wordt dan goedkoper.”

    Data worden nu vooral ingezet voor service aan werkzoekenden. “In onze 400.000 dossiers zoeken we profielen, om op die basis algoritmes te schrijven”, legt Leroy uit. “Zijn er bijvoorbeeld werkzoekenden met een gelijkaardig profiel die te weinig of geen vacatures aangeboden krijgen? Je selecteert kleine doelgroepen, van telkens honderd tot tweeduizend mensen. En dan merk je dat die misschien weinig vacatures krijgen vanwege hun moeilijk bereikbare woonplaats. Zo kun je heel gericht adviseren hoe ze hun mobiliteit kunnen verbeteren.”

    En hoe kreeg Leroy zijn VDAB-medewerkers mee in het digitaliseringverhaal? “Die bleken vooral ongerust dat hun ervaring niet meer zou meetellen. Maar face-to-facegesprekken zijn er nog altijd”, zegt hij. “Bovendien: met minder werkzoekenden en meer vacatures, heeft de maatschappij net nood aan meer VDAB. Ook al betekent dat niet noodzakelijk meer VDAB-mensen. Maar wel een sterke instantie die werkt rond de arbeidsmarkt.”

    Geen wollige boodschap

    Voor de nieuwe regeringen die er aankomen, heeft de afgevaardigd bestuurder van VDAB een paar dwingende aanbevelingen. Op Vlaams niveau moeten we op zoek naar nieuwe partnerschappen en incentivestructuren, denkt Leroy. “Met goesting langer werken wordt een belangrijk thema. En vandaag is 80 procent van de Vlamingen niet gemotiveerd om een opleiding te volgen. Die switch moet je forceren. Dat kan alleen door rechten te installeren: geen wollige boodschappen, maar cao’s, afspraken op sectorniveau.”

    Met goesting langer werken wordt een belangrijk thema. En vandaag is 80 procent van de Vlamingen niet gemotiveerd om een opleiding te volgen.

    Federaal moet de activering van de inactieven op de agenda komen. “De federale overheid moet komaf maken met de werkloosheidsvallen. Want iedereen is nodig op de arbeidsmarkt, ook de inactieven.” Die groep bestaat uit zieken, huisvrouwen of bepaalde populaties die niet in uitkeringsstelsels zitten, zoals jonge allochtone vrouwen. “Dat zijn grote groepen talent die we nodig hebben op de krappe arbeidsmarkt. Om die te bereiken, heb je incentives nodig. Er bestaat bijvoorbeeld veel interesse voor jobs in de zorgsector. Maar hiervoor is een opleiding van verschillende maanden of jaren nodig. Tijdens die opleiding behouden werkzoekenden hun uitkering, maar hoe help je inactieven? Waarom stellen we niet een soort transitie-uitkering in, die we aan een duidelijk traject hangen. Wie studeert om bijvoorbeeld verpleegkundige te worden, krijgt een uitkering die dan later eventueel kan worden terugbetaald. Nu wordt daar zelfs niet over nagedacht. Terwijl het wel nodig is.”

    Dit interview maakt deel uit van een reeks die de SERV maakt rond digitalisering. Toekomstgerichte competenties ontwikkelen en zorgen voor een goed functionerende arbeidsmarkt zijn twee van de kernaanbevelingen van de SERV-oproep voor een digitale beleidsagenda.

    ‘No Jobs’, Fons Leroy, 188p, Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2018