Innovatie
Tegenover de vorige meting in 2021 zit de innovatiekracht terug in de lift. Zes op de tien ondernemingen hebben in de voorbije drie jaar nieuwe of verbeterde producten of diensten op de markt gebracht. Vooral de industriële sector levert de sterkste innovatie-inspanning. Innovatie blijkt een positief effect te hebben op de economische positie van de Vlaamse ondernemingen.
Onder innovatie verstaan we zowel het op de markt brengen van producten of diensten die er nog niet waren of die wat verbeterd zijn, als het volledig zelf ontwikkelen van producten of diensten.
Innovatiekracht hersteld maar nog niet op pre-coronaniveau
De innovatiekracht van Vlaamse ondernemingen is duidelijk toegenomen tegenover de vorige meting in 2021. Tijdens de coronacrisis bleken maar 50% van de ondernemingen nog toe te komen aan innovatie. Intussen is de innovatiekracht gedeeltelijk hersteld en zien we 60% innoveren, maar dat is nog niet op het niveau van onze metingen in 2011 en 2014 toen respectievelijk 65% en 68% van de Vlaamse ondernemingen inzetten op innovatie.
Innovatie als motor voor opleiding
Ondernemingen die hebben geïnnoveerd blijken ook vaker opleidingen te voorzien voor hun medewerkers, en ook vaker voor meer medewerkers. Twee derde van de innoveerders (66%) gaf opleiding in het voorbije jaar voor de helft of meer van hun medewerkers; dat is duidelijk meer dan de helft van de niet-innoveerders (48%, zie figuur).
We mogen er ook van uit gaan dat er een oorzakelijk verband is, met name dat innoveren leidt tot opleidingOndernemingen zeggen ook zelf dat: 63% is akkoord met de stelling dat innovatie er toe heeft geleid dat medewerkers opleiding hebben gevolgd in de voorbije drie jaar (Figuur 7).
Innovatie en tewerkstelling
Leidt innovatie tot een groei in personeelsaantallen, of net niet? De meeste van de ondernemingen die in de voorbije drie jaar innoveerden zien helemaal geen effect (90%, zie figuur). Bijna een op de tien (8%) van de respondenten schat in dat ze in hun onderneming een groei hebben gezien van het aantal medewerkers als gevolg van product- of dienstinnovatie, een kleine fractie een vermindering (2%). De effecten verschillen wel wat volgens sector; in de quartaire sector is er vaker een toename (13%), net als in de industrie (10%) waar tegelijk wat vaker een afname wordt vermeld (3%). Grotere ondernemingen kennen vaker een effect en het is ook vaker positief.
Betrokkenheid werknemers groter bij innoveerders
In de meeste ondernemingen worden de medewerkers betrokken bij de beslissingen over innovatie. In 29% worden ze geconsulteerd, in 36% kunnen ze zelfs mee beslissen – samen 65%. In nog eens 21% worden ze geïnformeerd. De betrokkenheid is kleiner in de industrie (26% beslissen, 30% consultatie) en duidelijk veel hoger in de quartaire sector (53% beslissen, 29% consultatie). Wat de grootte betreft is er een duidelijk af te lezen profiel: in de kleine ondernemingen is het percentage waar medewerkers kunnen mee beslissen duidelijk groter (tot 53%), in de grootste ondernemingen is dat minder maar het aandeel waar medewerkers geconsulteerd worden is er dan weer duidelijk groter.
Duurzaamheid en AI
Uit de Ondernemingsenquête blijkt een duidelijk verband tussen innovatie en het bereiken van duurzaamheidsdoelstellingen. 54% van de ondernemingen die nieuwe of verbeterde producten of diensten op de markt brachten, deden dat onder meer in het kader van duurzaamheid. Een op vijf van de ondernemingen investeerde in Artificiële Intelligentie (AI) - dat bleek uit een eerder rapport van de Ondernemingsenquête. AI heeft een innovatief karakter en blijkt nu ook met innovatie samen te gaan. Van de innoverende bedrijven investeerde namelijk 32% in AI. Bij de niet-innoverende ondernemingen ligt dat cijfer veel lager (13%).
Economische groei en innovatie gaan hand in hand
Ondernemingen die innoveren, laten economische groei zien. Bijna zeven op de tien (68%) innoverende ondernemingen zagen een sterke (30%) of beperkte groei (38%) samen 68%. Bij de niet-innoveerders liggen deze percentages opvallend lager met 15% sterke groei en 30% beperkte groei, samen 45%. Deze cijfers tonen aan dat innovatie een positief effect heeft op de economische positie van de Vlaamse ondernemingen.
Digitalisering en duurzaamheid
In dit rapport brengen we de gegevens samen over digitalisering en duurzaamheid. We willen weergeven wat er in de ondernemingen anno 2025 gebeurt op beide domeinen, en we willen ook nagaan of we iets terugvinden van de ‘twin transition’. Met ‘Twin Transition’ wordt bedoeld dat de twee voornaamste tendensen in de ondernemingswereld, digitalisering en duurzaamheid, samen voorkomen en elkaar versterken.
Van beide transities of thema’s gaan we na hoe belangrijk ze zijn voor de ondernemingen, wat er precies gebeurt en wat het effect ervan is op opleiding, tewerkstelling en werkprocessen, en in welke mate er sprake is van inspraak van de werknemers. Daarnaast willen we ook nagaan of beide transities echt wel de tweeling uit de ‘twin transition’ zijn.
Er wordt veel geïnvesteerd in digitalisering: 69% van de ondernemingen heeft in de afgelopen drie jaar geïnvesteerd in aangepaste software, 48% in ERP-systemen, 36% in automatisering of robotisering en 20% in artificiële intelligentie.
Verdubbeling van digitaal aanbod ten opzichte van 2018. In 2025 heeft 31% van de ondernemingen een digitaal aanbod, dat is dubbel zoveel als de 16% en 2018 en nog altijd een groei ten opzichte van de 26% in 2021. % biedt een mengeling van digitale en live contacten aan, soms ook ‘blended services’ genoemd, met hoge percentages in het onderwijs (84%) en de overheid (75%).
De impact van digitalisering op de werking van de ondernemingen is zeer groot. 71% van de ondernemingen heeft werkprocessen aangepast, 53% organiseerde opleidingen in functie van digitalisering en 11% rapporteert een wijziging in het personeelsbestand. Digitalisering is daarmee een drijvende kracht in de ontwikkeling en werking van zowat alle ondernemingen.
Aanzienlijke werknemersbetrokkenheid bij digitaliseringsinitiatieven. In 45% van de ondernemingen beslissen werknemers mee over digitalisering, in 29% worden werknemers geconsulteerd.
Met een gemiddelde waardering van eveneens 7.8 op 10 is ook duurzaamheid een belangrijk thema. Grote ondernemingen en de industrie scoren hoger dan gemiddeld.
Ondernemingen doen aanzienlijke inspanningen in het kader van duurzaamheid. De vaakst toegepaste is het hergebruik van afval of restproducten, door 45% en op bijna gelijke hoogte aanpassingen in mobiliteit of logistiek. Bijna één op vier (37%) heeft aanpassingen gedaan aan een product of dienst, vier op de tien (40%) hebben hun toeleveringsketen geanalyseerd. Hoe grote het belang dat ze aan duurzaamheid hechten, hoe meer acties ze blijken uit te voeren.
Duurzaamheidsacties zetten ondernemingen ook aan tot opleiding (18%), het aanpassen van werkprocessen (50%) en in voornamelijk grotere ondernemingen zien we dat het tot aanwervingen leidt. Ook duurzaamheidsacties bepalen in sterke mate de ontwikkelingen in onze ondernemingen.
Twee aparte transities. Digitalisering en duurzaamheid zijn duidelijk twee voorname krachten die ondernemingen vandaag vorm geven. Maar zijn ze ook onderling verbonden? Onze analyse leert dat ze toch eerder naast elkaar bestaan on onze ondernemingen, de link tussen beide is beperkt. De verwevenheid tussen beide domeinen blijkt eerder zwak en fragmentair. Het gaat eerder over een dubbele transitie dan over een tweeling.
Opleidingen
Opleiding en vorming maken deel uit van het bredere personeelsbeleid binnen ondernemingen en organisaties. Ze kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van medewerkers en spelen mogelijk een rol in het versterken van de werking en het aanpassingsvermogen van organisaties. In de Ondernemingsenquête 2025 wordt het thema opleiding daarom in detail bevraagd.
In het rapport over opleidingsbehoeften zoomen we in op het belang, het bereik, de inhoud van en de belemmeringen voor het aanbieden van opleiding bij Vlaamse ondernemingen aan de hand van de Ondernemingsenquête 2025.
Met een gemiddelde waardering van 7.2 op 10 staat opleiding hoog op de agenda van de Vlaamse ondernemingen en het bereikte aandeel medewerkers neemt toe. Bijna een kwart waardeert opleiding zelfs heel hoog. Slechts een kleine minderheid (3%) geeft aan helemaal geen belang te hechten aan opleiding.
E-learning en on-the-job-training in de lift
Het grote belang van opleiding vertaalt zich in een breder aanbod en bereik: e-learning en on-the-job-training zijn sterk in opmars. Het gebruik van e-learning stijgt van 19% in 2018 naar 49% in 2025 en on-the-job-training van 44% in 2018 naar 53% in 2025. Klassieke opleidingen blijven stabiel met 53% in 2025. Steeds meer medewerkers krijgen daadwerkelijk opleiding. In 2025 gaf 59% van de ondernemingen aan dat de helft of meer van hun medewerkers een opleiding volgde.
Inhoud opleidingen: interne processen, producten en technische kennis. Veiligheid, welzijn en sociale vaardigheden krijgen minder vaak prioriteit. De snelheid waarmee vereiste competenties veranderen is minder groot dan verwacht en varieert sterk per organisatie, maar bij veel ondernemingen zijn digitalisering, innovatie en in iets mindere mate duurzaamheid belangrijke aanjagers om extra opleidingen te organiseren.
Ondernemingen die opleiding strategisch benaderen ervaren duidelijk minder belemmeringen en zien een bredere deelname onder hun medewerkers. Een strategische aanpak met diverse opleidingsvormen, planmatigheid en aandacht voor transities zijn een hefboom en helpen obstakels zoals tijdgebrek, hoge kosten, motivatieproblemen en een onoverzichtelijk aanbod te overwinnen.
Verschillen tussen sectoren en naar bedrijfsgrootte. De quartaire sector en grotere bedrijven hebben vaker formeel opleidingsbeleid, benutten diverse leervormen en betrekken een groter deel van hun personeel. Kleinere bedrijven, bouw- en dienstensectoren staan daarin minder ver, met vaker praktische drempels. Laatstgenoemde groepen kunnen baat hebben bij gerichte ondersteuning om te helpen opleiding sterker in hun werking te verankeren.
Al met al bevestigt het rapport dat opleiding bij veel ondernemingen al goed ingebed is, maar dat er nog aanzienlijke groeikansen liggen door knelpunten aan te pakken, beleid verder te professionaliseren en aansluiting te zoeken bij de competentienoden die transities als digitalisering, duurzaamheid en innovatie met zich meebrengen.
Haalbaarheid van werk
In een steeds sneller veranderende arbeidsmarkt is de "haalbaarheid van werk" een cruciaal thema. Kunnen werknemers hun taken afronden binnen de beschikbare tijd en middelen? Binnen de ondernemingsenquête brengen we ook kaart in welke mate organisaties vinden dat het werk voor hun medewerkers haalbaar is binnen de beschikbare tijd en middelen, welke maatregelen zij nemen om dat te verbeteren, welke ze daarbij ervaren, of eventuele evoluties in haalbaarheid een impact hebben op het aantal medewerkers en in welke mate medewerkers betrokken worden bij beslissingen over de aanpak van haalbare werklast.
89% van de ondernemingen schat het werk voor hun medewerkers doorgaans als haalbaar in. Een kwart vindt dat het werk altijd haalbaar is en twee derde meestal. Enkel 11% ervaart dat het werk slechts soms of zelden haalbaar is. Vooral de quartaire sector — en binnen die sector het onderwijs — scoort opvallend lager. Ook grotere ondernemingen ervaren werk minder vaak als volledig haalbaar dan kleinere bedrijven.
Algemene haalbaarheid: een positief beeld met nuances
De overgrote meerderheid van de Vlaamse ondernemingen schat de situatie positief in. 89% schat het werk voor hun medewerkers doorgaans als haalbaar in binnen de beschikbare tijd en middelen.
- 25% vindt het werk altijd haalbaar.
- 64% vindt het werk meestal haalbaar.
- Slechts 11% geeft aan dat het werk soms, zelden of nooit haalbaar is.
Verschillen per sector
Er zijn opvallende sectorale verschillen.
Vooral de quartaire sector (onderwijs, zorg, overheid) staat onder druk. In deze sector geeft slechts 73% aan dat het werk altijd of meestal haalbaar is, tegenover in andere sectoren zoals de industrie, bouw en diensten.
Wanneer we de quartaire sector uitsplitsen, zien we vooral opvallende resultaten voor de onderwijssector. Waar bij social profit en overheid 20% en 31% het werk soms haalbaar inschat, is dat bij onderwijs slechts 7%. Bijna één op vijf (19%) onderwijsinstellingen geeft aan dat het werk zelden of nooit haalbaar is met de beschikbare tijd en middelen.
Wat doen bedrijven om werk haalbaar te houden?
Het belang van haalbaar werk staat voor ondernemingen buiten kijf: met een gemiddelde score van 8,5 op 10 beschouwen zij dit als essentieel voor hun werking. Om de werklast te beheersen zetten ondernemingen een breed palet aan maatregelen in.
De meest voorkomende strategieën zijn:
- Interne herorganisatie (81%): Het aanpassen van werkmethodes, planningen of procedures is de populairste ingreep.
- Overuren en verdeling (71%): Het werk wordt verdeeld over de aanwezige collega's of opgevangen met overuren.
- Aanwerven (66%): Twee derde van de bedrijven werft extra personeel aan om de werklast te verlagen14.
- Opleiding (58%): Medewerkers worden opgeleid om nieuwe of andere taken op te nemen, wat de inzetbaarheid vergroot.
De obstakels: Waarom de werkdruk niet zomaar omlaag kan
Ondanks de vele maatregelen, stuiten bedrijven op harde grenzen bij het verminderen van de hoeveelheid werk. Wanneer gevraagd naar de belemmerende factoren, komen vooral financiële en strategische drempels naar voren.
- Financiële realiteit: Bijna de helft (46%) stelt dat de hoeveelheid werk niet verminderd kan worden zonder het financieel overleven van het bedrijf of de kwaliteit van de dienstverlening in gevaar te brengen. Dit percentage loopt in de quartaire sector zelfs op tot 65%.
- Onstuitbare groei: 43% van de bedrijven geeft aan dat ze in een groeifase zitten die niet tegen te houden is, wat de druk op de ketel houdt.
- Tijdsbesteding: Voor 37% kost het uitwerken van oplossingen meer tijd dan het uiteindelijk oplevert.
Een gebrek aan kennis is zelden het probleem; slechts 16% van de ondernemingen geeft aan niet te weten hoe ze oplossingen moeten uitwerken.
Betrokkenheid van medewerkers
Ten slotte blijkt dat in meer dan de helft van de ondernemingen uitvoerende medewerkers actief betrokken worden bij beslissingen over de haalbaarheid van het werk. In kleinere ondernemingen is die betrokkenheid vaker beslissend, terwijl in grotere ondernemingen medewerkers vooral geconsulteerd worden. Ondernemingen met een hogere mate van participatie nemen gemiddeld ook meer maatregelen om het werk haalbaar te houden.
Inspraak en opvolging
De Ondernemingsenquête bevat drie aspecten over inspraak en opvolging. We bevragen:
- in welke mate uitvoerende werknemers mee zeggenschap hebben over beslissingen omtrent vier verschillende onderwerpen,
- het gebruik van functioneringsgesprekken en
- van gegevensanalyse om de prestaties van werknemers op te volgen.
Zeggenschap als strategisch onderdeel van ondernemingsbeleid
In de bevraging van de Ondernemingsenquête van 2025 peilden we naar de mate van zeggenschap van medewerkers m.b.t. vier aspecten. We vroegen de ondernemingen in welke mate uitvoerende medewerkers een vorm van zeggenschap hebben in hoe duurzaamheid, digitalisering en innovatie toegepast worden en in hoe de haalbaarheid van het werk beheerd wordt. Ondernemingen gaven voor elk van de thema’s aan of uitvoerende medewerkers mee beslissen, geconsulteerd worden, geïnformeerd worden of geen van deze drie opties van toepassing is.
Het gebruik van zeggenschap onder uitvoerende medewerkers is relatief hoog, waarbij medewerkers vaker geconsulteerd en geïnformeerd worden dan dat ze zelf mee beslissen.
In ondernemingen is zeggenschap van uitvoerende medewerkers over duurzaamheid, digitalisering, innovatie en werkbeheer duidelijk aanwezig, maar in wisselende mate. Medewerkers hebben vooral zeggenschap over hoe de haalbaarheid van het werk wordt beheerd, gevolgd door digitalisering en innovatie, terwijl hun zeggenschap over duurzaamheid het kleinst is. De sterke samenhang tussen de verschillende thema’s wat de mate van zeggenschap betreft, geeft aan dat de mate waarin uitvoerende medewerkers zeggenschap krijgen, eerder het gevolg is van een beleid, ingesteldheid of cultuur dan van een ad hoc keuze met betrekking tot een bepaald topic.
Figuur: Zeggenschap uitvoerende medewerkers over haalbaar werk, digitalisering, innovatie en duurzaamheid
Zeggenschap functioneert als een onderdeel van ondernemingsbeleid gekoppeld aan innovatie, digitalisering, duurzaamheid en haalbaar werk. Ondernemingen die actief beleid voeren op deze terreinen geven uitvoerende medewerkers ook meer zeggenschap. Dit suggereert dat inspraak onderdeel is van een bredere strategie om deze prioriteiten te realiseren.
Functioneringsgesprekken gaan samen met groei
Functioneringsgesprekken zijn breed ingeburgerd binnen ondernemingen en vormen een vaste praktijk. Ongeveer driekwart van de ondernemingen houdt jaarlijks functioneringsgesprekken. Daarmee is het gebruik van functioneringsgesprekken sterk toegenomen tegenover de eerste meting in 2011 waar de helft van de ondernemingen aangaf jaarlijks gesprekken te houden.
Figuur: Jaarlijks functioneringsgesprekken - evolutie 2011-2025
Functioneringsgesprekken fungeren als een veel gebruikt instrument dat samenhangt met een breed scala aan beleidsaspecten. Functioneringsgesprekken komen vaker voor in bedrijven die recent groeiden (en meer digitale toepassingen invoerden), wat wijst op een dynamische en toekomstgerichte organisatiecultuur.
Opvallend is ook dat organisaties die functioneringsgesprekken houden, vaker innoveren en vaker maatregelen nemen om de werklast van medewerkers te beheersen. Dit wijst erop dat een cultuur van betrokkenheid en dialoog — zichtbaar in o.a. het voeren van functioneringsgesprekken — samenhangt met een cultuur die innovatie stimuleert en een gebalanceerde werklast nastreeft.
Opvolging prestaties medewerkers via gegevensanalyse
We onderzochten de mate waarin gegevensanalyse in ondernemingen gebruikt wordt voor de opvolging van de prestaties van medewerkers. Deze werkwijze is aanwezig in ongeveer 35% van de ondernemingen.
Figuur: Opvolging van prestaties van werknemers via gegevensanalyse
We bekeken ook of er verschillen zijn in het gebruik naargelang de sector en de grootte van de onderneming. Er zijn geen significante verschillen tussen sectoren, maar de omvang van de onderneming speelt wel een belangrijke rol: grotere bedrijven gebruiken gegevensanalyse veel vaker voor het opvolgen van prestaties. Zes op de tien ondernemingen met 200 of meer medewerkers maakt hier gebruik van. Bij de kleinste ondernemingen met 1 tot 9 medewerkers is dat maar drie op de tien.
Figuur: Opvolging van werknemersprestaties via gegevensanalyse naar grootte
Opvolging via gegevensanalyse heeft een sterke koppeling met digitalisering. Het gebruik van gegevensanalyse voor prestatieopvolging is -van alle bevraagde thema’s- het meest verbonden met het aantal digitale toepassingen binnen een organisatie, wat wijst op een geïntegreerde digitale strategie. Relaties met andere aspecten van beleidsvoering zijn afwezig of zwak.
Samenhang tussen de verschillende aspecten
Er is een duidelijke en positieve samenhang tussen zeggenschap en functioneringsgesprekken met de domeinen innovatie, digitalisering en werklastmaatregelen. Meer zeggenschap en het gebruik van functioneringsgesprekken gaan hand in hand met het gebruik van meer digitale toepassingen, de introductie van nieuwe of verbeterde diensten of producten (wat we hier definiëren als innovatie) en meer maatregelen om werklast op te vangen.
Dit wijst erop dat een cultuur van betrokkenheid en dialoog — zichtbaar in de mate van zeggenschap en het voeren van functioneringsgesprekken — samenhangt met een cultuur die innovatie stimuleert en een gebalanceerde werklast nastreeft.
Voor opvolging van werknemersprestaties via gegevensanalyse zien we die samenhang veel minder. Het gebruik van gegevensanalyse voor prestatieopvolging is wel verbonden met meer digitale toepassingen binnen een onderneming, wat wijst op een geïntegreerde digitale strategie. Relaties met andere aspecten van beleidsvoering zijn afwezig of zwak.
Groei
Hoe groeien ondernemingen in Vlaanderen en Brussel en welke factorenhangen daarmee samen? Groei wordt in onze enquête ruim opgevat als groei van de activiteiten, zodat ook ondernemingen uit de social profit en (delen van) de overheid kunnen worden meegenomen.
We hanteren een breed zicht op wat effecten op of van groei kunnen zijn: zien we een verband met
- product- of dienstinnovatie,
- duurzaamheidsinspanningen,
- digitalisering in brede zin,
- opleiding, haalbaar werk,
- zeggenschap van medewerkers en
- procesaanpassingen.
Daarnaast werden drie andere indicatoren onderzocht:
- verwachtingen over toekomstige groei,
- de evolutie van het aantal werknemers en
- de financiële stabiliteit, gemeten via de R-score van Trends Business Information (TBI).
De groei van de activiteiten in de voorbije drie jaar blijkt de meest eenduidige en beleidsmatig bruikbare indicator: ze is duidelijk te interpreteren en hangt sterk samen met zowel groeiverwachtingen als met de evolutie van de tewerkstelling. Daarom wordt deze indicator verder als centrale maatstaf gebruikt.
Groei van activiteiten: herstel en voorzichtig optimisme
Zes op de tien ondernemingen (59%) geven aan dat hun activiteiten in de voorbije drie jaar zijn gegroeid (35% beperkte groei, 24% sterke groei). Ongeveer een kwart (24%) bleef stabiel, terwijl 17% een terugval van de activiteiten kende. In vergelijking met 2021 is dit een duidelijke inhaalbeweging na de coronaperiode: het aandeel ondernemingen met sterke groei is bijna verdubbeld. De groeicijfers zitten nu op het niveau van onze meting in 2018.
De verwachtingen voor de komende drie jaar zijn vergelijkbaar maar iets voorzichtiger: ondernemingen rekenen vaker op beperkte groei of stabiliteit en minder op sterke groei. Over het geheel genomen overheerst een gematigd optimisme, dat nu het hoogst is sinds 2014.
Figuur: Evolutie van de activiteiten in de voorbije drie jaar en de verwachte evolutie in de volgende drie jaar
Meer dan een kwart van de ondernemingen (27%) geeft aan dat er de voorbije drie jaar in hun onderneming een toename was van het aantal werknemers met 5% of meer; zes op de tien (60%) geeft een status quo aan (minder dan 5% verschil in de ene of andere richting) en iets meer dan één op de tien (13%) zag een afname van 5% of meer. Dat is een zekere mate van herstel na de coronadip in 2021.
Figuur: Toename, afname of status-quo van het aantal werknemers in 2018, 2021 en 2025
Meer groei in de diensten en quartair, tewerkstellingsgroei voornamelijk bij grote ondernemingen
Er zijn duidelijke sectorverschillen. Activiteiten in de diensten en de quartaire sector groeien gemiddeld het sterkst, terwijl de bouwsector vaker een stagnatie of krimp kent. Dit patroon geldt zowel voor de recent ervaren groei van activiteiten als voor de verwachtingen. Groei van tewerkstelling hangt sterk samen met ondernemingsgrootte: bij de grootste ondernemingen kende meer dan de helft een duidelijke personeelsgroei, terwijl kleine ondernemingen vaker stabiel blijven of krimpen. De bouwsector blijft hier achterop.
‘Jobless growth’ groter dan groei mét jobs
Ons rapport toont dat groei zonder personeelsgroei courant is, maar verdient wel nuance. Ongeveer 24% groeit mét personeelsgroei, terwijl 36% van alle ondernemingen een groei van de activiteiten kent zonder een toename van het aantal werknemers (of zelfs met een daling). 40% kent geen groei.
Wat hangt samen met groei?
We leggen voor de verschillende thema’s uit ons onderzoek telkens een reeks items langs de groei van de activiteiten. Vervolgens combineren we de items die samenhang met groei in activiteiten vertonen in een finaal model. Zo krijgen we een compleet beeld van welke items overeind blijven en verband houden met groei in activiteiten.
- Product- en dienstinnovatie vertoont een duidelijk en consistent positief verband met groei. Groeiende ondernemingen innoveren vaker, al groeien ook heel wat niet‑innoverende ondernemingen. Innovatie is dus belangrijk, maar niet de enige weg naar groei;
- Opleiding blijkt sterk samen te hangen met groei. Ondernemingen die opleiding belangrijk vinden, effectief opleidingen aanbieden en regelmatig functioneringsgesprekken voeren, groeien vaker. Of opleiding groei stimuleert, dan wel of door groei opleiding noodzakelijk wordt kunnen we helaas niet uitmaken;
- Investeren in duurzaamheid vormt geen stimulans, maar ook geen belemmering voor groei. De effecten zijn beperkt, maar zeker niet negatief. Maatregelen rond mobiliteit en logistiek vertonen wel een duidelijk verband. Hoewel die werden gevraagd in de context van duurzaamheid kunnen we niet uitsluiten dat een analyse van logistiek en mobiliteit een gevolg is van toegenomen activiteiten waarbij duurzaamheidaspecten worden meegenomen, eerder dan enkel door duurzaamheidsoverwegingen te zijn opgezet;
- Digitalisering, door ons vrij breed ingevuld, heeft slechts een zwakke directe relatie met groei. Technologie op zich maakt het verschil niet; het zijn vooral organisatieveranderingen en procesaanpassingen die samenhangen met een groei van de activiteiten;
- Werknemersparticipatie hangt positief samen met groei, vooral inspraak rond werklast en innovatie. Het effect blijft echter klein.
- Werklastmanagement: groei gaat samen met een hogere werkdruk en een lagere inschatting van de haalbaarheid van het werk. Personeel aanwerven en opleidingen zijn de belangrijkste maatregelen die samengaan met groei.
Als we op het einde alle relevante elementen samenbrengen in een overkoepelende regressieanalyse, blijken ‘opleiding voorzien’, product- of dienstinnovatie en het analyseren van mobiliteit en logistiek de drie elementen te zijn die het sterkste verband met groei van de activiteiten vertonen.
Verder zijn er nog relevante maar minder sterke relaties met functioneringsgesprekken, gegevensanalyse voor opvolging werknemers, werkprocessen aanpassen in functie van digitalisering en werk uitbesteden. Grootte speelt een beperkte rol, net zoals sector, waar enkel de bouwsector een iets minder gunstige invloed heeft.
We besluiten dat innovatie een belangrijke drijver van groei is, maar dat de beleidsmatige antwoorden op groei vooral liggen in de organisatie en inzet van arbeid: investeren in opleiding, het aanpassen van processen en het beheersbaar organiseren van groei. Louter investeren in digitale technologie of AI blijkt daarbij geen doorslaggevende factor.
Familiebedrijven
Twee op de drie zijn familiebedrijf
Twee op de drie private ondernemingen (66%) in ons onderzoek zijn familiebedrijven. Er zijn meer familiebedrijven bij de kleinere ondernemingen (68% bij minder dan 10 werknemers) dan bij de grotere ondernemingen (33% bij 200 of meer werknemers) en duidelijk meer in de bouwsector (79%).
Figuur: Percentage familiebedrijven volgens sector en volgens grootte
Economische groei iets minder gunstig
Familiebedrijven kenden de afgelopen drie jaar iets minder vaak groei qua activiteiten (53% tegenover 67%) en personeelsbestand (25% tegenover 30%). Sector en grootte spelen hier een grote rol maar kunnen het verschil niet helemaal verklaren. De Trends R-Score vertoont geen significant verschil met niet-familiebedrijven.
Sterker inzetten op duurzaamheid
Familiebedrijven investeren consistenter in duurzaamheid, onder meer door processen aan te passen, producten te herontwerpen, de toeleveringsketen te analyseren en reststromen te hergebruiken.
Meer procesaanpassingen
Familiebedrijven geven vaker aan dat ze werkprocessen hebben aangepast, vooral in het kader van duurzaamheid en werkdruk. Dit wijst erop dat ze niet minder, maar eerder meer geneigd zijn tot organisatorische aanpassingen.
Visie en HR-beleid
Familiebedrijven hechten iets minder belang aan opleiding en innovatie dan andere bedrijven; voor digitalisering, duurzaamheid en haalbaar werk is er geen significant verschil.
Figuur: Belang gehecht aan opleiding, digitalisering, duurzaamheid, innovatie en beheersen werklast volgens familiebedrijf
Opleiding en HR
Ze ervaren vaker drempels voor opleiding, zoals de kostprijs en de vrees dat opgeleide werknemers vertrekken. Toch geven ze daarom niet minder vaak opleiding. Wel maken ze minder gebruik van loopbaanontwikkelingsplannen (11% tegenover 17%). Voor de meeste andere HR-praktijken zoals functioneringsgesprekken of op vlak van medezeggenschap zijn er geen significante verschillen.
Minder product- en dienstinnovatie
Familiebedrijven brengen minder vaak nieuwe of sterk verbeterde producten of diensten op de markt (54% tegenover 68%). Dit verschil blijft bestaan na controle voor sector en grootte.
Digitalisering geen verschil
Er zijn geen significante verschillen tussen familiebedrijven en andere ondernemingen in investeringen in digitalisering.
Over de ondernemingsenquête
Met de ondernemingsenquête wordt driejaarlijks telefonisch een enquête afgenomen bij een representatieve steekproef van ondernemingen en organisaties uit Vlaanderen en Nederlandstalig Brussel. Het gaat om ondernemingen en organisaties met minstens één werknemer, uit alle sectoren, inbegrepen het onderwijs, de overheid en de social profit.
De respondenten zijn de personeelsverantwoordelijken of zaakvoerders. De interviews gebeuren aan de hand van een volledig gesloten vragenlijst. De steekproeven zijn gestratificeerd naar sector (industrie inclusief primaire sector, diensten, bouw en quartaire sector) en grootte. De gegevens worden achteraf gewogen voor de totaalcijfers. Voor elke editie wordt een nieuwe steekproef getrokken.
In deze editie hebben we als voornaamste thema's opleiding, digitalisering, duurzaamheid, innovatie en werklast. Daarnaast zijn er ook enkele vragen over aanwervingen, evolutie van de activiteiten, familiebedrijven en betrokkenheid van werknemers.
Werkwijze ondernemingsenquête 2025
In februari – maart – april 2025 belde onderzoeksbureau Ipsos 1650 ondernemers en HR-verantwoordelijken op in opdracht van de SERV | Stichting Innovatie & Arbeid. De ondernemingen en organisaties met minstens 1 werknemer in Vlaanderen en Brussel werden per toeval geselecteerd en de verwerking van de gegevens gebeurde anoniem.
Nadien ging het onderzoeksteam van de Stichting Innovatie & Arbeid met deze gegevens aan de slag om een zicht te krijgen op de evoluties en trends die zich aftekenen.
Vorige edities
We ontsluiten de komende maanden nog een diepgaand rapporten over de werklast.
Ontvang je graag een seintje wanneer dit verschijnt? Laat hier je e‑mailadres achter.