Werkdruk in de confectie

    Project status
    Afgerond

    Dit onderzoek kadert in een reeks projecten van STV-Innovatie & Arbeid over de invloed van de arbeidsorganisatie op het welzijn van de werknemers. De projecten sluiten aan bij de welzijnswet van 1996 en CAO 72 over de psychosociale belasting door de arbeid.

    Het is de bedoeling om ‘arbeidsorganisatorische’ determinanten van het bedrijfs- en personeelsbeleid aan te wijzen die een belangrijke invloed hebben op de arbeidsbeleving van de werknemers. Deze determinanten worden onderzocht op basis van een grote survey bij de arbeid(st)ers uit de confectiesector en in casestudies in 8 bedrijven. De casestudies laten toe om de statistische verbanden in de survey te illustreren.

    Voor de screening van de arbeidsbeleving en het welzijn worden bestaande vragenlijsten gebruikt, waardoor de resultaten vergeleken kunnen worden met referentiebestanden.

    In dit onderzoek wordt het welzijn op het werk ‘gemeten’ met vragen over hoe men zich voelt op en na het werk. Dit zijn vragen over spanningen, welbevinden en gezondheid.

    Het welzijn op het werk wordt bepaald door de arbeidsbeleving. Dit is de manier waarop de werknemer het werk ervaart: de arbeidsomstandigheden, de arbeidsinhoud, de arbeidsrelaties en de arbeidsvoorwaarden.

    Deze ‘subjectieve’ ervaring van het werk wordt bepaald door de arbeidsorganisatie. Er schuilt een ‘objectieve’ bedrijfsrealiteit achter deze arbeidsbeleving.

    Alle bevindingen zijn gebaseerd op zelfrapportering door de werknemers in de survey of op gesprekken met deskundigen in de bedrijven van de casestudies. De factoren van arbeidsbeleving zijn dus geen exacte metingen, maar veeleer een inschatting van de situatie waarbij de invloed van persoonlijke appreciatie nooit ver weg is. Gezien echter de zeer hoge respons, gemiddeld 80%, mag worden aangenomen dat deze ‘inschatting’ de reële situatie dicht benadert. Naast belevingsvragen werden ook meer ‘meetbare’ factoren van de arbeid in de vragenlijst opgenomen. Het gaat om arbeidsorganisatorische kenmerken die een invloed uitoefenen op de arbeidsbeleving.

    De voorbereidende gesprekken in de bedrijven waren richtinggevend voor het formuleren van hypothesen. De bevindingen in de bedrijven worden statistisch getoetst met de resultaten van de survey.

    De grootschalige enquête steunt op een aselecte steekproef uit het adressenbestand van confectiearbeid(st)ers van de RSZ, nl. NACE 1740 en 1810 tot 1830. Enkel de personen die in Vlaanderen wonen en in de traditionele confectie werken worden weerhouden. Confectiearbeid(st)ers van fabrikanten van autohoezen worden niet opgenomen in het onderzoek.

    In de bedrijven van de casestudies wordt de enquête georganiseerd in samenwerking met het Comité voor Preventie en Bescherming op de Werkplaats.

    Dit rapport is opgebouwd in 5 hoofdstukken.

    In een eerste hoofdstuk worden het doel en de uitgangspunten van dit onderzoek toegelicht. De onderzoeksmethode, de uitvoering van de survey en de respons worden kort besproken.

    Het tweede hoofdstuk bevat een sociografisch beeld van de sector. Naast de subsectoren en de ondernemingsgrootte wordt ingezoomd op de functies, de genderverschillen, de leeftijdopbouw, het opleidingsniveau en de tewerkstellingscontracten.

    Hoofdstuk 3 geeft een algemene impressie van de arbeidsbeleving en het welzijn in de confectie. Enerzijds wordt een vergelijking gemaakt met andere sectoren, anderzijds worden enkel persoonsgebonden kenmerken besproken op hun invloed op de arbeidsbeleving en het welzijn.

    De kern van het onderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 4, waar de invloed van de arbeidsorganisatorische kenmerken op de arbeidsbeleving en op het welzijn met de resultaten van de survey ondersteund worden.

    In hoofdstuk 5 wordt op zoek gegaan naar de kenmerken van het ideaaltypische bedrijf op het vlak van kwaliteit van de arbeid. Er worden 10 organisatiesleutels aangereikt om op de werkplek de arbeidsbeleving en het welzijn te verbeteren.

    Bij dit informatiedossier horen ook 2 afzonderlijke bijlagen. Eén bijlage is speciaal gemaakt voor de leden van de Raad van IVOC die dit project als deskundigen begeleid hebben en bestaat uit een overzicht van de antwoorden op de vragenlijst. Een tweede bijlage bevat vooral achtergrond- en cijfermateriaal om dit informatiedossier overzichtelijk te houden.

    Dit informatiedossier is duidelijk bedoeld als naslagwerk. De verschillende hoofdstukken kunnen afzonderlijk gelezen worden, maar voor een goed begrip leest u best eerst de samenvattingen na elk hoofdstuk.