Naar een positief gewaardeerd, volwaardig leertraject voor jongeren

    Sectoren vinden dat werkplekleren voor schoolgaande jongeren een positief gewaardeerd, volwaardig en op maat gemaakt verhaal moet zijn. De sleutel ligt volgens de sectoren bij een goede vormgeving van een vernieuwd stelsel ‘Leren en Werken’ voor het secundair onderwijs waarvoor de Vlaamse overheid vandaag een algemeen kader wil creëren.  Dit vernieuwde stelsel moet tot stand komen in samenspraak met de sectoren, voldoende eenvoudig zijn maar tegelijkertijd wel rekening houden met de context waarin de verschillende sectoren werken. Dit blijkt uit een onderzoek dat de Stichting Innovatie & Arbeid tussen oktober 2014 en februari 2015 deed naar de visie en suggesties van sociale partners en verantwoordelijken van twaalf sectoren. De aanleiding van het onderzoek is de zesde staatshervorming waarin een aantal bevoegdheden m.b.t. duaal leren, met name het Industrieel Leerlingenwezen en de start- en stagebonussen voor jongeren, werden overgeheveld naar Vlaanderen.
     

    Sectorfondsen overwegend actief rond één systeem

    Binnen het systeem van duaal leren, dat toegankelijk is voor jongeren vanaf vijftien jaar die een diploma secundair onderwijs willen behalen, bestaan twee sporen: het spoor van het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO) en het spoor van de Leertijd binnen Syntra. In beide sporen combineren jongeren een schoolse opleiding met praktijkervaring in een bedrijf. Uit de bevraging van de Stichting Innovatie & Arbeid blijkt dat heel wat sectoren bijzonder actief zijn rond één spoor en hierbij specifieke contracten hanteren. Zo werkt men in de bouw, elektrotechnische sector, groene sectoren, horeca, hout, metaalarbeiders en voedingssector met het Industrieel Leerlingenwezen-contract binnen het DBSO. De social profit sector spitst zich toe op het DBSO met een deeltijds arbeidscontract, onder meer gefinancierd vanuit de sociale maribel. Voor de autosector en kapperssector is de Leertijd belangrijk. De bediendensectoren en de scheikundige nijverheid voorzien enkel trajecten voor plus 18-jarigen. Ook in de bouw is er een traject voor deze doelgroep.

    Positief gewaardeerd en volwaardig leertraject

    De respondenten binnen de sectoren wensen een stelsel met een positief gemotiveerde deelname van jongeren en bedrijven. Werkplekleren in een bedrijf dient in het TSO, BSO en BuSo een deel van een positief gewaardeerd, volwaardig leertraject te zijn, op termijn liefst ook in het ASO. Sommigen zien het graag uitgebreid naar het hoger en volwassenenonderwijs en de opleiding van jonge werkzoekenden. Algemene, attitude- en beroepsvorming en graduele praktijkervaring zijn belangrijk. De trajecten dienen, rekening houdend met de sectorcontext, op maat van de jongeren te verlopen, ook voor zwakkere jongeren. Men wenst een klimmend groeitraject met succeservaringen en deelkwalificaties. Een vroege kennismaking met het bedrijfsleven en een betere oriëntering, screening, matching en opvolging van de jongeren staan voorop.

    Sleutel bij de vormgeving

    De sleutel ligt volgens de bevraagde sectoren bij de vormgeving van het uit te werken stelsel. De overheid moet hiervoor een algemeen kader en een draagvlak creëren. De respondenten wensen een meer eenvoudig stelsel met gelijke instapvoorwaarden voor alle (leerplichtige) jongeren en bedrijven. Verschillende respondenten willen één geïntegreerd stelsel van DBSO en Leertijd, anderen willen meerdere systemen voor meerdere doelgroepen leerlingen en sommigen willen de eigen systemen behouden. De sectoren pleiten voor één contract, zoals het ILW-contract, dat een evenwichtig leerprogramma en toezicht van de sectorale sociale partners voorziet. Ook verdedigt men een leerlingenstatuut met een gradueel toenemende leerlingenvergoeding, afhankelijk van wat een leerling aan het bedrijf bijdraagt.

    Daarnaast vragen de sectoren een nauwe samenwerking tussen alle actoren, met duidelijke rollen, en extra omkadering en financiering. Vooral de rol van de begeleiders in de scholen en bedrijven moet worden versterkt. De inbreng van de sectoren in het hele traject is cruciaal.

    Ook wensen de respondenten een neutrale, globale regie voor het stelsel (onderwijs-sectoren, onderwijs-werk, onderwijs-Syntra Vlaanderen, een overkoepelende onafhankelijke instantie, …). Wat het ILW betreft, pleit men voor de regiefunctie bij het bestaande federaal of een op te richten regionaal paritair leercomité, bij de (regionale afdelingen van) sectorfondsen of de SERV-sectorcommissies. Tot slot is een afstemming tussen gemeenschappen en gewesten met betrekking tot het stelsel gewenst.