Kennisbronnen en samenwerkingsverbanden leiden tot meer innovatie

    tekening met blauwe mannetjes in een cirkel rond blauw mannetje met lampje op het hoofd dat armen in de lucht steekt met pijlenDe Stichting Innovatie & Arbeid onderzocht het effect van kennisbronnen en samenwerkingsverbanden met kenniscentra op innovatie binnen bedrijven en organisaties. Hoe meer kennisbronnen bedrijven gebruiken, hoe meer ze innoveren. Hoe groter bedrijven zijn, hoe meer interne en externe kennisbronnen ze gebruiken. Samenwerkingsverbanden verhogen de kans op innovatie. Bedrijven en organisaties sluiten minder samenwerkingsverbanden met de klassieke kenniscentra. Niettemin leidt samenwerking met de klassieke kenniscentra tot een groter effect op innovatie, zeker bij KMO's. Dat blijkt uit een themadossier op basis van de screening Innovatie, Organisatie en Arbeid (IOA) 2011. 

    Meer kennisbronnen, meer innovatie

    De directe externe omgeving is de belangrijkste kennisbron bij innovatie. 88,6% van de bedrijven en organisaties maakt gebruik van deze nabije externe bronnen voor innovaties. Hun bronnen zijn klanten, leveranciers, andere bedrijven, consultants of bedrijfsadviseurs. Bijna evenveel bedrijven (82,%) gebruiken interne bronnen zoals het personeel en de O&O afdeling. Beroeps- en netwerkorganisaties komen op de derde plaats met 47,1%, gevolgd door publieke (overheids-) instanties met 28,6%. Ten slotte gebruiken 21,7% van de bedrijven de kennis van klassieke kenniscentra van universiteiten, hogescholen, sector(-cluster) gebonden onderzoekscentra en competentiepolen. De klassieke kenniscentra vormen voor het kleinste aantal bedrijven een bron van kennis bij innovatie. Hoe groter de bedrijven zijn, hoe meer ze gebruik maken van interne en externe kennisbronnen. Hoe meer kennisbronnen gebruikt worden, hoe meer types van innovatie ze toepassen: product- of dienstinnovatie, procesinnovatie, technologische innovatie, innovaties in de arbeidsorganisatie en innovaties in het personeelsbeleid.

    Samenwerkingsverbanden verhogen kans op innovatie

    Bij de samenwerkingsverbanden nemen we eenzelfde trend waar.

    De verschillende samenwerkingsverbanden komen meer voor in grote bedrijven. De verschillen naar sector hangen vooral samen met de verschillen in gemiddelde bedrijfsgrootte binnen de sectoren. Hoe meer types samenwerkingsverbanden er in een bedrijf voorkomen, hoe groter de kans op innovaties. We zien ook een positief verband tussen het hebben van samenwerkingsverbanden en het gebruik van deze contacten als kennisbron bij innovaties.

    Samenwerkingsverbanden en strategische partnerschappen

    Gewogen cijfers (N=2250)
    Hogescholen of universiteiten 15,3%
    Kennis- of onderzoekscentra, competentiepolen, sectorclusters of overheidscentra 17,2%
    Consultants of bedrijfsadviseurs 25,3%
    Andere bedrijven 27,3%
    Leveranciers 48,2%

    Alle types van samenwerkingsverbanden verhogen de kans op de verschillende types van innovatie. De samenwerking met de klassieke kenniscentra aan hogescholen en universiteiten, andere onderzoekscentra, competentiepolen, sectorclusters of over-heidscentra hebben een relatief groter versterkend effect op de verschillende types van innovatie. Samenwerkingen buiten de kenniscentra komen in meer bedrijven en organisaties voor maar die bedrijven innoveren minder vaak, behalve wanneer ze 200 of meer werknemers tellen. Voor deze groep van grootste bedrijven gelden weinig of geen significante verbanden tussen de aard van de samenwerkingsverbanden, al dan niet met de klassieke kenniscentra, en de innovatietypes. Twee derde van deze grote bedrijven heeft een eigen O&O afdeling en zo goed als alle grote bedrijven voerden minstens één type van innovatie door.

    We mogen besluiten dat bedrijven en organisaties minder samenwerkingsverbanden hebben met klassieke kenniscentra dan andere samenwerkingsverbanden. Maar samenwerking met de klassieke kenniscentra leidt wel tot een groter effect op innovatie, zeker bij KMO's.