SEKIV (05) - België, loonkosten per werknemer, BBP per werkzame persoon, werkgelegenheidscreatie per bedrijfstak

    5: België, inkomensvorming naar oorsprong

    Gegevens 

    Binnen het Europees Stelsel van Rekeningen (het afsprakenpakket dat de opmaak van de Nationale en Regionale Rekeningen op Europees niveau invult) leidt de nationale inkomensvorming - net zoals bij de invalshoek productie (toegevoegde waarde…) en bestedingen (consumptie…) – tot het bruto nationaal inkomen, dat zeer verwant is met het bruto nationaal product.

    Aangezien niet alle variabelen in de inkomensbenadering regionaal gedocumenteerd worden, verkiezen we voorlopig om nationale cijfers weer te geven, zodat de consistentie tussen de variabelen behouden blijft.

    De belangrijkste elementen zijn:

    • De lonen vormen de belangrijkste inkomensbron voor werknemers.
    • Het bruto exploitatieoverschot vormt het inkomen van ondernemingen: dit begrip is veel ruimer dan de winst van ondernemingen, ook de afschrijvingen, de kosten voor kapitaal (leningen…) en de niet productgebonden belastingen zijn erin opgenomen.
    • Het inkomen van zelfstandigen is niet te scheiden van hun werkingsonkosten, wat de benaming gemengd inkomen verklaart. Onder deze categorie vallen ook andere belangrijke categorieën, zoals huurinkomsten van particulieren (= inkomen uit verhuur van huis, appartement…).
    • De laatste categorie betreft de productgebonden belastingen min subsidies (BTW, invoerrechten…), die tot het inkomen van de overheid behoren. 
    • Samen vormen deze variabelen het bruto nationaal inkomen.

    Aangezien niet alle variabelen in de inkomensbenadering regionaal gedocumenteerd worden, verkiezen we voorlopig om nationale cijfers weer te geven, zodat de consistentie tussen de variabelen behouden blijft.

    De tabel geeft aanvullende informatie over de inkomensvorming per bedrijfstak, evenals enkele deducties relevant voor de internationale competentiepositie: loonkost per werknemer, arbeidsproductiviteit (bruto toegevoegde waarde per werkzame persoon), en loonkosten per eenheid product (= loonkost per werknemer / bruto toegevoegde waarde per werkzame persoon).

    Tenslotte wordt in de tabel de besteding van het totale nationale inkomen (van ondernemingen, huishoudens en overheid) kort geschetst. De variabelen worden per hoofd van de bevolking uitgedrukt. De samenhang in de tabel is als volgt:

    • Het netto nationaal inkomen wordt gevormd door het verschil tussen het bruto nationaal inkomen en de afschrijvingen.
    • Een belangrijk deel van dit inkomen wordt besteed aan consumptie (particulieren, overheid…), de rest wordt gevat onder de benaming besparingen.
    • Deze laatste worden opgedeeld in investeringen (door ondernemingen, overheid en huishoudens) en de voorraadveranderingen: deze hebben aanzienlijk aan belang gewonnen in de crisis. Een negatief cijfer duidt op meer voorraad (= geproduceerd maar niet geconsumeerd of verkocht).
    • Wat overblijft wordt als vorderingenoverschot dan wel –tekort aangeduid: het positieve cijfer van de laatste maanden duidt erop dat de Belg vandaag eerder terughoudend is in zijn bestedingen, wat ongetwijfeld op het conto van de crisis mag geschreven worden.

    Voor meer informatie en gegevens